De Paiwan zijn een stam van aboriginals in Taiwan en spreken een eigen taal, het Paiwan. Het is de derde grootste etnische groep in Taiwan en vertegenwoordigt een kleine 20 percent van de inheemse bevolking van het eiland. De Paiwan hebben bepaalde rituelen, de bekendste daarvan zijn de Masaru en Maleveq. De Masaru is een ceremonie die wordt gehouden voor een rijke rijstoogst, de Maleveq herdenkt hun voorouders en goden.
De pakhawaj is een Noord-Indische trom en tegenhanger van de mrdangam. Het is een begeleidend instrument bij dhrupad, orissi en soms ook kathak-dans. De pakhawaj heeft een lage, zachte klank. Het bestaat uit een houten lichaam met aan beide uiteinden een dierenvel.
In Ghana geldt palm wine-muziek als de voorloper van de populaire highlife-muziek. Palm wine heeft een verleidelijk ontspannen karakter en klinkt naar de plek waar zij ontstond: in de Palm Wine Bars op het platteland, waar aan het eind van de middag notoire drinkgelagen werden aangericht, palmwijn gedronken werd en gezongen werd op gitaar- en percussiemuziek.
Het was de muziek van de minder gegoede klassen. Vanaf de jaren ’20 groeide de populariteit van de palm wine muziek, vanwaar het verspreid werd naar Sierra Leone en in de rest van Afrika invloed uitoefende op verschillende gitaarstijlen.
De pandeiro is een kleine Braziliaanse lijsttrom, die gebruikt wordt bij samba, choro en capoeira. Het lijkt sterk op een tamboerijn en bestaat uit een houten frame, zes paar metalen symbaaltjes aan de zijkant en een nylon- of dierenvel. De pandeiro wordt bespeeld door er met de vingers en de handpalm op te tokkelen. Dit instrument produceert rijke, gevarieerde en warme klanken.
De pansori (ook: p’ansori) is een epische vocale traditie uit Korea, waarbij een solo-zanger(es) alle personages van een epos interpreteert. De zanger wordt begeleid door de buk-trommel. Om het epos te kunnen verhalen, maakt de zanger gebruik van zijn stem (vocale versielsels, ritmische variaties en veranderingen van timbre), een hele reeks gebaren, een waaier en een sjaal. De epische verhalen zijn vaak sterk moraliserend en bezingen helden en mytische personages.
De paranda is een muziekstijl van de Garifuna. Oorspronkelijk was het vooral een rituele muziekvorm. Sinds de 19de eeuw is ze geëvolueerd tot een sociale zangstijl, die uiting geeft aan de verhalen van de gemeenschap, haar relaties, haar ervaringen, haar reflecties, haar geschiedenis. De teksten bevatten zowel sociale kritiek als raadgevingen.
Het is een populaire zangstijl, die invloeden heeft ondergaan van Latijns-Amerikaanse muziek. De gitaar is het belangrijkste melodische instrument. Het ritme wordt gegeven door diverse percussie-instrumenten.
Parranda is feestelijke muziek uit Cuba, Venezuela en Spanje. In Venezuela is de parranda een soort Afro-Venezolaanse zangstijl begeleid op percussieritmes, de zogenaamde ‘golpes de tambores’. Dit genre werd vroeger gespeeld tijdens de kerstperiode, maar komt nu het hele jaar door voor. De teksten zijn vaak geëngageerd of lovend voor populaire helden en vluchtende slaven.
De Parur-stijl is een vioolstijl die in het begin van de 20ste eeuw uitgevonden werd door Sundaram A. Iyer en al bijna een eeuw haar stempel op de muziekgeschiedenis van Zuid-India. Aan haar stichter wordt ook de introductie van de viool in de Noord-Indische klassieke muziek en de vermenging van de meest verfijnde elementen uit beide muzieksystemen toegeschreven.
De traditie die Sundaram A. Iyer (1891-1964) vestigde, is genoemd naar zijn geboorteplaats in Kerala en vormt een belangrijke schakel in de informele maar effectieve pan-Indische muzikale beweging. Zijn zonen en leerlingen Parur M.S. Anatharaman (°1924) en Parur M.S. Gopalakrishnan (°1931) hebben verder bijgedragen aan de verdere ontwikkeling van deze Indische muziek.
De viool heeft gedurende meer dan twee eeuwen een prominente rol gespeeld in het muzikale leven van Zuid-India. Haar rol beperkt zich niet tot het begeleiden van een zanger, ook al is dat nog steeds haar meest voorkomende taak. Een viool die goed bespeeld wordt, kan immers net als de stem alle subtiliteiten van raga-muziek weergeven: haar rijke versiersels en expressief gebruik van de microtonale nuances. Kortom alles wat geassocieerd wordt met de sacrale muziektradities van Zuid-India, daar beter bekend onder de noemer Karnataka Sangitam (Karnatische muziek).
De realistische afbeelding van een dansgezelschap dat het zomerpaleis van Tipu Sultan in Seringapatam bij Mysore siert, bewijst dat de moderne viool al deel uitmaakte van Indische dansgezelschappen in de late 18de eeuw. Sinsdien is het gebruik van de viool overgenomen door verschillende toonaangevende muzikanten.
Waarschijnlijk is de viool binnengedrongen in de Indische muziek via Europese muzikanten die koloniale beambten, handelaars en Indische edelen moesten vermaken. Enkele prinsen van Zuid-India, vooral de twee dynastieën die regeerden over Tanjore en Kerala (de kuststreek waaraan de kleine stad Parur ligt) en in het bijzonder prins Svati Tirunal Maharaja, staan erom bekend dat ze muziekliefhebbers en mecenassen waren en dat ze zelf ook muziek speelden.
Hoewel ze allemaal trouw waren aan de inheemse muziektradities, moedigden ze de introductie van stylistische elementen en instrumenten uit Europa, Perzië, Centraal-Azië en het Midden-Oosten aan. Deze openheid kenmerkt nog steeds moderne muzikanten, componisten, organisatoren en luisteraars uit Zuid-India.
De Europese viool werd dus nooit beschouwd als een vreemd instrument in Zuid-India, een streek die bekend staat voor haar verfijnde en gevarieerde muzikale traditie gedurende twee millenia. De viool, als meest perfecte type van een instrumentenfamilie waarmee ze reeds bekend waren, werd al snel omarmd door specialisten.
Bij de introductie van de viool waren amper enkele aanpassingen nodig. Enkel de elementaire stemming van de snaren en de speelhouding dienden aangepast te worden. De snaren vormen paren van vijfde-tonen voor de laagste en middelste octaven i.p.v. een reeks vijfden zoals bij de Westerse viool.
In overeenstemming met de Indische muziekconventies, wordt de viool al zittend bespeeld, ondersteund door de rechtervoet. Deze aanpassingen vergemakkelijken de typische versieringen en snelle passages die de Indische klassieke muziek onderscheiden van de Westerse.
Een peña is een soort clubhuis van een folkloristische gemeenschap of vereniging. Het komt vooral voor in Andalusië waar er - voornamelijk in de regio van Granada - heel wat befaamde peñas zijn voor flamenco. Er wordt gedanst, gegeten en gedronken, danscursussen worden er gegeven en danswedstrijden georganiseerd. Het is dan ook een kweekvijver voor nieuw talent.
De Peul (of Fulbe, Foulah, Fula, Fulfulde, Fulbhe, Fulani) zijn een etnische groep in de Sahelzone, verspreid over een aantal landen in West-Afrika, van Mauritanië in het noord-westen tot Kameroen en de Centraal-Afrikaanse Republiek in het zuiden, en oostelijk tot Soedan.
De Peul zijn het grootste nomadenvolk van West-Afrika. Vandaag de dag is er nog slechts één groep die nomadisch leeft en dat zijn de Wodaabe uit Niger. De meeste Peul zijn herders en nomaden, en kunnen lange tijd te voet op stap gaan met hun kudden.
Het volk is voornamelijk islamitisch. Zij spreken de taal Fula (Pulaar of Pular genoemd in de westelijke dialecten, Fulfulde in de centrale en oostelijke dialecten), net als de Tukulor (Toucouleur), een verwante bevolkingsgroep in de centrale vallei van de rivier de Sénégal. Alle lokale stammen die de taal spreken noemt men de "halpulaar".
De traditionele klederdracht van de Peul-vrouwen is meestal een lange kleurrijke jurk, met opstiksels of andere versieringen.
De pipa is een Chinese peervormige luit met vier snaren. De hals heeft fretten en een knoppenkast. De klankkast is uit hout gemaakt. Het instrument is bijna 2000 jaar oud.
De piri is een kleine Koreaanse hobo in bamboehout, is cilindrisch van vorm en heeft een dubbel rietstuk. Er zijn acht gaatjes in de piri, één aan de achterkant van het instrument, de andere zeven aan de voorkant. Er bestaan drie soorten piri: de yang-piri, de kleinere se-piri die zachter is van klank, en de dang-piri die gebruikt wordt in de muziek van de Chinese Tang en Song dynastieën.
De politiki lyra is geen instrument voor politici, maar wel de driesnarige peervormige vedel die in 'de Póli' gebruikt wordt. Met 'de Póli' bedoelen de Grieken Constantinopel alias Istanbul.
In wezen is de politiki lyra hetzelfde instrument als de Kretenzische lyra. Ze zijn allebei peervormig, zijn ongeveer even groot en hebben dezelfde bouw. De laatste jaren krijgt dit 'Turkse' instrument ook aanhang in Griekenland en krijgt de politiki lyra zelfs de hoofdrol in verschillende Griekse optredens. Dé autoriteit van de politiki lyra is Sokratis Sinopoulos.
De punta is een dans- en muziekvorm van de Garifuna uit Belize, Honduras, Guatemala en Nicaragua. Het is een traditionele dansstijl waarbij mannen en vrouwen elkaar najagen en uitdagen, een sensuele heupdans met vraag- en antwoordzang, die lang beschouwd werd als een moderne vruchtbaarheidsdans en daarom niet voor kinderen gedanst mocht worden.
De begeleidende muziek is een mix van handgeklap, zang en percussie. De punta wordt vaak gedanst tijdens feesten. In de loop van de tijd zijn de punta-ensembles sterk uitgebreid met verschillende percussie-instrumenten. Jongere groepen spelen ook punta rock, waarbij traditionele elementen vermengd zijn met electrische muziek, reggae, soca of calypso.
De punta rock is een populaire muziekstijl uit Belize gekend om zijn snelle ritmes en zwoele, seksueel getinte dans. De punta rock is afgeleid van de traditionele punta, die in de jaren ’70 aangevuld werd met elektrische gitaren en synthesizers. In de punta rock zijn ook invloeden te vinden uit de reggae, de soca of de calypso.
De qalun is een Oejgoers trapeziumvormig hakkebord met 16 à 18 paar snaren. Het wordt gebruikt in de klassieke Oejgoerse muziek of muqam. De snaren worden door de rechterhand met een plectrum getokkeld worden, terwijl met de linkerhand vibrati en glissandi worden uitgevoerd.
De qanun is een citer van Arabische origine, die afstamt van de oud-Egyptische harp. De term stamt af van het Griekse woord ‘kanon’, wat wet of regel betekent. De qanun bestaat uit een plat bord in de vorm van een trapezium met één rechte hoek. Daarover zijn 81 snaren gespannen in groepen van drie.
Het instrument heeft ook stemknoppen, waarmee tijdens het spelen de toonhoogte veranderd kan worden. De snaren worden met de vingers of met twee plectra betokkeld. De qanun wordt in verschillende landen bespeeld: Irak, Iran, Turkije, Griekenland en de meeste Arabische landen. In Griekenland heet het instrument ‘kanonaki’. De qanun is bijzonder geschikt voor virtuoze, snelle toonladders en muzikale versielsels. De Iraakse muzikant Osama Abdulrasol is een virtuoze qanun-speler.
De qaw(w)al heeft een dubbele betekenis. Het wordt gebruikt voor de naam van een fluit (zie ney) of voor een zanger van religieuze gezangen (zie qawwali).
Qawwali is een spirituele muziekstijl uit India en Pakistan. Het broederschap van de qawwal behoort toe tot de soefi-orde. Via muziek trachten de qawwal een mystieke ervaring of extase te bewerkstelligen. De qawwali-traditie wordt sinds de 14de eeuw doorgegeven van meester (munshid) tot leerling.
Tijdens spirituele bijeenkomsten (
mehfil-e-samâ) wordt gedurende meerdere uren en volgens een welbepaalde volgorde muziek gespeeld door een groep van minimaal drie muzikanten. De zangers worden begeleid op
harmonium,
tabla en
dholak. De zangers zingen lyrische gedichten rijk aan allegorieën en metaforen in het Arabisch, Perzisch, Urdu, Hindi, Panjabi…
De radif is afkomstig uit de Iraanse klassieke muziek. De Perzische muziek is opgebouwd volgens het dastgah-systeem: een verzameling gushehs, melodische vormen die bepalend zijn voor de Iraanse klassieke muziek.
De radif is op zijn beurt gestructureerd in twaalf modes waarvan zeven als basis en vijf als ondergeschikte. De radif omvat meer dan vierhonderd
gushehs en het aantal binnen een
dastgah varieert van vijftien tot vijftig.
Râga is afkomstig uit de Indiase muziek en betekent letterlijk ‘kleur’ of ‘passie’. In tegenstelling tot westerse klassieke muziek waarin een muziekuitvoering voor een groot deel vastligt, is Indiase muziek gebaseerd op improvisatie. De raga is het raamwerk, een aantal vaste regels waarbinnen de muzikant improviseert. Aan raga’s worden bepaalde emoties toegekend, rasa genaamd.
De ravanne is een kleine, ondiepe ronde trommel waarover een geitenvel gespannen is. De trom bestaat uit 'Lacolle'-hout, dat vooral gebruikt wordt voor zijn buitengewone flexibiliteit zonder te kraken.
Dikwijls wordt het instrument eerst opgewarmd met een houtvuur om de geitenhuid verder te rekken en zo een hoger en beter geluid te verkrijgen. De muzikant houdt de ravanne in de linkerhand, houdt ze tegen zijn buik en maakt gebruik van zijn rechterhand om op het membraan te slaan. Met zijn linkerhand slaat hij op het houten frame en op de achterkant van het instrument.
De rawap is het belangrijkste instrument van de Oejgoeren. Het is een kleine langhalsluit, die naargelang de streek in verschillende vormen bestaat. De rawap bestaat gewoonlijk uit 6 à 7 snaren, een bolle, houten klankkast en is overtrokken met een dierenvel. Slechts één snaar bepaalt de melodie. De overige snaren zijn sympatisch, d.w.z. dat ze meeklinken als een toon wordt aangezet met dezelfde toonhoogte. Bij de Dolan heeft de rawap één tot vijf melodiesnaren en een twaalftal resonantiesnaren.
De rays (ook: rways, râyes, rwâyés; vr.: raysat) zijn rondtrekkende Chleuh (landelijke Berberse adel) dichter-zangers, afkomstig uit de Atlas en de Souss-streek in Marokko. De zanger begeleidt zichzelf op rebab, een éénsnarige vedel. Hij wordt vergezeld van een gezelschap op luit en percussie zoals de nuiqsat (cymbalen), naast een koor en enkele danseressen.
Het repertoire van de rays is complex en uitgebreid, waardoor ze een keuze kunnen maken naargelang de locatie en de omstandigheid en het publiek. Het centrale element is de gezongen poëzie (amarg) van de rays. Doel is het losweken van emoties op basis van een melodische regel die herhaald wordt door het koor. De thema’s variëren van liefde, religie, landelijk leven, sociaal leven en commentaren op de recente ontwikkelingen in het leven van de Chleuh (emigratie, ontworteling). Soms zingen de rays ook lofzangen. Ook de dans is een belangrijk element, met als hoogtepunt het schokken van de schouders.
De rebab (rabab, rababah) is een snaarinstrument dat in de 8ste eeuw ontstaan is in Afghanistan. Van daar uit is het verspreid naar Noord-Afrika, het Midden-Oosten, Europa en zelfs het Verre Oosten. De rebab is de voorloper van de Europese middeleeuwse rebec, op zijn beurt voorloper van de viool. Het is een tweesnarige vedel, die bespeeld wordt met een strijkstok.
De rebab bestaat uit een kleine, afgeronde klankkast waarover een dierenvel gespannen is en een lange, smalle fretloze hals met een knoppenkast. Het instrument wordt zittend bespeeld, met een strijkstok en wordt net als de cello vastgehouden. De rebab behoort tot dezelfde familie als de Perzische
kemanche.
Rebetiko (rembetiko, mv. rembetika) is een populaire Griekse muziekstijl, ontstaan in de late 19de eeuw. De rebetiko kwam tot bloei vanaf de jaren 1920 en is sterk verbonden met de Griekse geschiedenis. Het is de muziek van de rebetes of de manges, mannen die in de marge van de samenleving leefden.
Tot 1950 bleef de rebetiko in de clandestiene sfeer. De vroegste rebetiko-muziek werd gespeeld in de gevangenissen en de tekedes, kleine underground cafés waar hasj verkocht en geconsumeerd werd. Na 1922 werden de eerste manges vervoegd door vele Griekse vluchtelingen uit Turkije, waardoor de rebetiko oosterse invloeden onderging.
De liederen gingen over de afschrikwekkende vervolgingen (van de drugsverslaafden en marginalen), het harde vluchtelingenbestaan, eenzaamheid, ontheemding, gemis van verwanten en geliefden, hasj, pijnlijke liefde… Deze hartverscheurende thema’s zorgen er dan ook voor dat de rebetiko ook wel ‘de Griekse blues’ genoemd wordt.
De centra waar de rebetiko tot ontwikkeling kwamen waren de havensteden Athene en Thessaloniki. Na verloop van tijd werden de teksten minder hard en dus toegankelijker voor een groot publiek (jaren ’40). In de jaren ’50 en ’60 ontwikkelde de rebetiko naar de vrolijkere en lichtere laika-stijl.
De rebetiko zelf verdween op de achtergrond en kende pas in de jaren ’80 en ’90 een heropbloei onder impuls van grote componisten als Theodorakis en Hadjidakis. Het rebetiko-repertoire wordt tegenwoordig door zowat elke grote Griekse zanger overgenomen. De rebetiko kan beschouwd worden als de hoeksteen van de Griekse muziek.
De voornaamste instrumenten zijn de
baglamas, de
bouzouki, de
santouri, de viool en de tamboerijn. Grote namen uit de rebetiko zijn Vassilis Tsitsanis, Markos Vamvakaris, Panagiotis Tountas, Rosa Eskenazi… In 1983 maakte cineast Costas Ferris een hulde aan de rebetiko met zijn film ‘Rembetiko’, die bekroond werd met een Gouden Beer op het Filmfestival van Berlijn in 1984.
De reqq (ook riqq) is een kleine lijsttrom met tien paar symbaaltjes. Het wordt gebruikt in de klassieke Arabische muziek, maar ook in de soefi-muziek. De reqq wordt met twee handen bespeeld. De riqq is in de 19de eeuw ontstaan vanuit de daf.
Rimotsy is een vocale techniek van de Antandroy uit Madagaskar, waarbij de keel geschraapt wordt door snel in en uit te ademen. Deze techniek wordt toegepast bij bezetenheidsrituelen, begrafenissen en andere rituelen als besnijdenissen.
De rubâb is een getokkelde luit van Afghaanse origine en behoort tot dezelfde familie als de Perzische tar. De origines van het instrument gaan terug tot de 7de eeuw, maar in zijn huidige vorm bestaat het sinds de 18de eeuw.
Het is een houten luit met dubbele klankkast, korte hals en vier fretten. De klankkast is overtrokken met een geitenvel. De rubâb telt drie melodiesnaren, twee à drie bourdonsnaren en tot vijftien resonantiesnaren. Homayoun Sakhi is een bekende rubâbspeler.
De rubâb wordt voornamelijk gespeeld in de Afghaanse klassieke muziek, maar komt ook voor in India, Iran en Pakistan. In India werd de rubâb omgevormd tot sarod. De rubâb-muziek is geworteld in de Indiase raga-traditie, maar heeft ook sterke stylistieke banden met de Perzische muziek.
In Tadjikistan bestaat er een kleinere variante, de Pamir rubâb. De Tadjiekse rubâb heeft zes snaren: vijf snaren die van de kam tot de brug lopen en één snaar die pas halfweg de hals begint tot aan de brug. De zesde snaar van de Pamir rubâb is in dat opzicht vergelijkbaar met de vijfde snaar van de banjo.
De rumba is ontstaan in La Havana op het einde van de 19de eeuw, tijdens de periode van de slavernij. Ontmoetingen tussen de Afrikaanse en Spaanse inwoners leidden tot het ontstaan van culturele en muzikale mengvormen, zoals de rumba. Percussie neemt een belangrijke plaats. Congas, guiras, maracas en claves zorgen voor het ritme.
Het succes van de Cubaanse rumba vloog snel over naar het Afrikaanse continent. Voornamelijk in Congo en Angola kreeg de muziek een nieuwe impuls. De Afrikaanse rumba wordt gekenmerkt door een terugkeer naar de Afrikaanse klanken en de toevoeging van gitaren. De Afrikaanse rumba wordt ook soukous genoemd.
A-C D-F G-I J-L M-O P-R S-V W-Z