Gagaku is de oudste vorm van orkestrale hofmuziek die tot op heden in Japan uitgevoerd wordt. Als genre is het een combinatie van muziek en dans die vanuit China en Korea naar Japan overwaaide en van originele Japanse dans en muziek die teruggaat tot de 10de eeuw. De gagaku wordt al sinds de achtste eeuw uitgevoerd aan het Japanse keizerlijke hof en in enkele tempels.
Er zijn verschillende subgenres. Zo is er de kangen, instrumentale en orkestrale muziek gespeeld op blaas- en snaarinstrumenten; de bugaku, dansmuziek, en de rituele muziek voor bij shinto-ceremonies. Een gagaku-ensemble bestaat meestal uit percussie (o.a. taiko, o-daiko), blaas- (o.a. shô) en snaarinstrumenten (o.a. koto). Daarnaast speelt ook het vocale een belangrijke rol in de gagaku-muziek.
Een gaida is een Bulgaarse doedelzak, een dubbelriet instrument verwant aan de schalmei. Het bestaat uit een zak van geiten- of schapenhuid, een melodiepijp met acht gaten, een bourdon die een continue klank voortbrengt en een inblaaspijp om de zak met lucht te vullen.
De gamelan verwijst naar een type muzikaal ensemble uit Indonesië zowel als naar de muziekstijlen die deze orkesten spelen. Een gamelanorkest bestaat voornamelijk uit percussieinstrumenten (grote bronzen gongen en xylofoons) en uit fluiten. Gamelan is vooral populair op Bali en Java en de orkesten zorgen vaak voor muzikale begeleiding van dans- en theatervoorstellingen.
Garifuna (mv. Garinagu) verwijst naar een volk zowel als naar hun taal. Ze leven langs de Caraïbische kust, in Belize, Guatemala, Nicaragua en Honduras. Ze stammen af van inheemse en West-Afrikaanse volkeren en worden ook wel ‘Black Caribs’ genoemd. Hun taal is een dialect van het Arawak, een Indiaanse taal uit Brazilië, met West-Afrikaanse en Caraïbische elementen.
Er zijn zo’n 400.000 Garinagu in Centraal-Amerika en in de Verenigde Staten. Hun taal en cultuur is sterk bedreigd. Garifuna-muziek is een mix van Afrikaanse zang en percussie en Zuid-Amerikaanse ritmes. De bekendste muziek- en dansvorm van de Garifuna is zonder twijfel de
punta.
De gasba is een rieten fluit met ruisende klank, die doet denken aan de Arabische ney. Deze pastorale fluit uit de Maghreb wordt gemaakt uit zeer droog riet en heeft geen mondstuk. De gasba heeft zeven of negen gaten.
De gayageum is een Koreaanse citer met twaalf snaren, die met de vingers wordt betokkeld. Het instrument brengt heldere en delicate geluiden voort.
De geomungo is een Koreaanse zessnarige citer in kettingzijde gespannen over zestien vaste toetsen. Het instrument, waarvan de snaren met behulp van een klein bamboestokje betokkeld worden, brengt majestueuze en diepe geluiden voort.
De ghatam is een Zuid-Indiaas percussie-instrument. Het is een kleipot, die door de muzikant bespeeld wordt met vingers, duimen, polsen en handpalmen. De ghatam kan verschillende klanken voortbrengen naargelang de plaats waarop geslagen wordt of welk lichaamsdeel gebruikt wordt.
Zo wordt een lage basklank, de ‘gumki’, geproduceerd wanneer de muzikant de opening met de vlakke hand beslaat. Er zijn twee soorten ghatam: de madras ghatam en de manamadurai ghatam. De eerste is een lichte kleipot, die gemakkelijker te bespelen is en zich leent voor snelle patronen. De andere is een zwaardere kleipot.
De ghazal is een eeuwenoude sentimentele en mystieke zangstijl die vooral in Noord-India en Pakistan voorkomt. De stijl van de gezongen liefdesgedichten is van Indiase en Perzische origine, geschreven in het Urdu en onderverdeeld in coupletten. De ghazal was al volop in bloei tijdens de 13de eeuw, met gedichten van grote dichters als Hafiz of Sa’adi.
Het centrale thema is de liefde, voornamelijk die van God. De term is waarschijnlijk afkomstig van een term uit het Urdu, die ‘spreken met een prachtige vrouw’ betekent. De meerderheid van de mystieke dichters hebben ghazals geschreven.
De ghazal is opgebouwd uit 5 à 15 dubbele versregels (she’r). Deze zijn niet noodzakelijk met elkaar verbonden, waardoor er ruimte is voor improvisatie. Ook in de tabla-solos zijn er improvisatiemogelijkheden. De ghazal is een sobere zangstijl, begeleid op tabla, sarangi en/of harmonium en soms ook op de bansuri-fluit.
De ghazal-stijl komt ook voor in Iran, Centraal-Azië, Turkije… Ze is verbonden aan de verschillende scholen van de islamitische wereld. Gemeenschappelijke kenmerken van de ghazal over de hele wereld zijn: het belang van de woorden, het thema van de liefde en de mystieke connotatie.
De gheizhak (ook gheychak) is een gebogen viool die wordt bespeeld in de Perzische volksmuziek in de zuidoostelijke regio van Iran. In de traditionele Perzische muziek worden enkel viersnarige gheizhaks gebruikt. Maar naast de vier basissnaren kan het instrument acht tot zestien extra snaren tellen.
De klankkast lijkt op een omgekeerde anker, is gesneden uit een boomstam en wordt verticaal geplaatst op de schoot van de speler. De bovenste en onderste delen worden gescheiden door twee grote ovale inkepingen aan de linker- en rechterkant, die de gheizhak een aparte nasale klank geven.
De ghijak is een spijkervedel met drie à vier metalen snaren en een korte, fretloze hals. Het lijkt op de kemanche en wordt voornamelijk in Iran, Afghanistan, Oezbekistan, Tadjikistan, Turkmenistan en bij de Oejgoeren bespeeld. Bij de Dolan heeft de ghijak één snaar uit paardenhaar en zeven à twaalf resonantiesnaren. De klankkast is overtrokken met dierenhuid.
In de eerste plaats verwijst Gnawa naar een bevolkingsgroep. Het woord zou ‘afkomstig uit Guinee’ betekenen, maar volgens de Berbers is het afgeleid van ‘aguinaoua’: de zwarten. Daarmee worden afstammelingen van zwarte slaven uit de Soedan bedoeld, de huidige Sahel-strook die vanaf Senegal, Guinee en Guinee-Bissau o.m. Ghana, Mali, Burkina Faso en Niger bestrijkt.
Na de val van de Mandingo- en Songhai-rijken werden veel mensen uit de gebieden ten zuiden van de Sahara vanaf de 17de eeuw verkocht aan de sultans van de Maghreb.
Gnawa is ook een Marokkaanse Soefi-broederschap en een samensmelting van de klassieke Soefi-traditie met animistische elementen uit West-Afrika en Berberinvloeden. Die komen ook voor in Algerije en Tunesië.
Tenslotte is Gnawa rituele muziek uit West- en Noord-Afrika. Door middel van repetitieve, ritmische muziek wordt een trance opgewekt die therapeutisch zou werken. De malems (meesters) gebruiken hierbij drie karakteristieke instrumenten: de sintir of guembri (driesnarige basluit), ‘qraqebs’ of ‘querqebats’ (metalen castagnetten) en tbel-trommels.
Tijdens een nachtelijke lila de derdeba (uitdrijvingsritueel) wordt geprobeerd de djinns (geesten) van de bezetenen te verdrijven of baraka (zegen van boven) te bewerkstelligen door de zeven mlouks (eigen geesten), die elk hun eigen rituele voorwerpen, handelingen, kleuren en wierookgeuren kennen, te raadplegen. De meest beroemde Gnawa-meester uit Marokko is malem Mahmoud Ghinia uit Essaouira. Zijn precisie, finesse, subtiliteit en virtuositeit hebben hem een grote populariteit opgeleverd.
De rituelen en muziek van de Gnawa zijn een samensmelting van Afrikaanse en Arabische elementen. Zowel moslimheiligen als het animistische geloofssysteem van hun voorouders zijn hierin vertegenwoordigd. Het centrale ritueel van de Gnawa-broederschap is hun trancemuziekritueel. Doel hiervan is genezing en purificatie van de dansers.
In Marokko worden Gnawa-muzikanten dan ook ingehuurd om ziektes te genezen. De rol van de malem is het leiden van de ceremonie (lila) en het, met behulp van zijn instrument, aanroepen en controleren van de geesten die bezit nemen van de dansers.

De
griot of
djeli maakt deel uit van een kaste van professionele muzikanten. Hij komt voor in West-Afrika, in wat vroeger het Mandinke-rijk was (Mali, Senegal, Gambia, Niger, Guinee). Naast zanger en muzikant is de griot ook historicus, genealoog en verteller. Hij zingt lofzangen, epische liederen en liederen met een historische inslag. Hij wordt daarom beschouwd als het geheugen van het volk.
De guacharaca is een percussie-instrument dat meestal wordt gemaakt van de rietachtige stam van een kleine palmboom. Ze bestaat uit een uitgeholde buis met ingekerfde richels aan de buitenkant, zodat het lijkt op een miniatuurkano. Het instrument wordt bespeeld met een vork die bestaat uit een harde draad en vastzit in een houten handvat.
De guacharaquero (guacharaca-speler) schraapt de vork langs het oppervlak van het instrument om het karakteristieke krassengeluid te creëren. Een typische guacharaca is ongeveer zo dik als een bezemsteel en zo lang als een viool.
De guacharaca werd uitgevonden door de Tairona, een Amerikaanse indianenstam in de regio van la Sierra Nevada de Santa Marta (Colombia), om het geluid van de gelijknamige vogel na te bootsen. In de loop van de 20e eeuw werd het instrument ontdekt door vallenato-muzikanten. Sindsdien is het een van de drie basisinstrumenten van het genre.
De guajira is een Cubaanse zangvorm met Spaanse origines. Ze werd oorspronkelijk gezongen door de guajiros, landbouwers van het centrum van Cuba. De begeleidende instrumenten zijn voornamelijk de gitaar en de tres, wat de Spaanse origine bewijst. Als landelijke muziekstijl spreekt de guajira vaak over de nauwe band met het landelijke leven en over de boerenvrouwen.
De populariteit van de guajira kreeg een grote boost in 1928 met de hit van Joseito Fernandez, 'Guajira guantanamera'. Het succes van het genre verspreidde zich snel over de hele wereld, waar grote zangers en orkesten guajiras opnamen in hun repertoire. In Spanje werden vooral flamenco-artiesten beïnvloed door de Cubaanse guajira.
De guaracha is een Spaanse muziek- en dansvorm die vooral in Cuba voorkomt en dit sinds de 18de eeuw. De guaracha werd er geïntroduceerd in het populaire bufo-theater van Havana, waar het een belangrijke rol speelde als satirisch en kritisch lied. Oorspronkelijk werd de guaracha gespeeld op gitaar, percussie en soms tres. In de 20ste eeuw evolueerde het genre sterk en nam invloeden over uit de son en de rumba. Grote Cubaanse orkesten en artiesten als Celia Cruz en Benny Moré worden geassocieerd met guaracha.
De guembri is een snaarinstrument met drie snaren en een zware basklank. De klankkast is uitgesneden uit één stuk mahoniehout, overtrokken met de huid van een dromedarishals. Sommige Gnawa-muzikanten gebruiken de guembri ook als slaginstrument.
Gumbe is een muziekstijl die men terugvindt in verschillende landen van West-Afrika. Daarnaast verwijst het ook naar een West-Afrikaanse raamtrommel. De gumbe-stijl vindt men onder meer terug in Guinee-Bissau. Het is een moderne polyritmische stijl, gebaseerd op traditionele elementen en gezongen in de Creoolse taal kriolu. De gumbe-liederen kaderen in de onafhankelijkheidstrijd en het verzet tegen de Portugese overheerser, ook al bleef de stijl ook na de onafhankelijkheid zeer populair.
Ook in Ivoorkust en Ghana is gumbe populair. Algemeen kan men stellen dat de gumbe afgeleid is van de goombay-muziek uit de Bahamas en Jamaïca.
De gunjei is een traditionele parendans van de Garifuna. De lyrieken zijn beperkt en bevatten veel herhaling. Van alle Garifuna-ritmes bevat de gunjei de meeste Afrikaanse invloeden.
De guzheng is een traditionele Chinese citer. Het telt meestal 21 snaren, al kan het aantal snaren ook variëren tussen 15 en 25. Het instrument is meer dan tweeduizend jaar oud.
Gwo-ka behoort tot het nationale erfgoed van de Creoolse cultuur in Guadeloupe. Gwo-ka is zowel de benaming voor de muziekstijl, die bestaat uit zang en percussie, als voor de trommen die hierbij gebruikt worden. Net zoals in Puerto Rico, Cuba en Haiti heeft die de typische driemansopstelling van drie tonvormige trommen: hoog, medium en laag.
De gwo-ka wordt begeleid door de bamboestok (de c(h)acha) en een gevulde kalebas als shakerinstrument, te vergelijken met de cascara, de shekeré of maracas in Cuba. De ritmes hebben echter een heel eigen karakter en de gezangen gebeuren in het 'Créole', een aftakking van het Frans ontstaan in de slaventijd. Nochthans hebben deze ritmes en gezangen eveneens hun oorsprong in Benin en Nigeria (de Dahomay en de Yorubà).
Het harmonium of rietorgel is een toetsinstrument waarbij het geluid ontstaat doordat er via balgen lucht geblazen wordt over rietblaadjes. De klanken die op die manier geproduceerd worden, lijken sterk op die van de accordeon. In de Indische klassieke muziek wordt het harmonium vaak gebruikt, voornamelijk als begeleidingsinstrument bij zang.
Het instrument werd er geïntroduceerd door Franse missionarissen in de 19de eeuw. In India zijn vooral kleine, draagbare exemplaren in omloop. Het harmonium werd er ook licht aangepast.
Highlife is een muziekstijl uit West-Afrika. Het ontstond in de jaren 1920 in Ghana, Sierra Leone en Nigeria. Kenmerkend zijn de koperblazers met hun jazzy klanken en de vele gitaren. Highlife is een mix van kerkmuziek, militaire marsmuziek, jazz, swing en traditionele muziek uit Ghana, Sierra Leone, Nigeria en Liberia.
De Hindoestaanse muziek ofwel Noord-Indiase klassieke muziek, wordt traditioneel in een groot gebied beoefend, dat zich uitstrekt over de tegenwoordige landen Bangladesh, Noord-India, Pakistan en zelfs Afghanistan. In deze muziekstijl zijn sterke islamitische invloeden terug te vinden.
De belangrijkste vormen binnen de Hindoestaanse muziek zijn de
dhrupad, de
dhamar, de
khyal en de
thumri. In de Hindustani-traditie ligt de nadruk op expressie en gevoel en minder op structuur of virtuositeit. Net als bij de Zuid-Indische muziek is de stem het belangrijkste element. De ritmische begeleiding gebeurt echter voornamelijk door de
tabla (in tegenstelling tot de
mrdangam in de Karnatische traditie).
De hora (ook: zhok) is een dans die door de zigeuners en de joodse gemeenschappen in Roemenië, de Balkan en Israël gedanst wordt, weliswaar in verschillende varianten. De dans maakt deel uit van het klezmerrepertoire. Het is een trage en rijk geornamenteerde dans, vaak in 3/8 ritme. De Roemeense variant wordt gedanst in een iets sneller tempo en is een rondedans.
Hüngü-hüngü (ook: hunguhungu of fedu) is een traditionele dansvorm van de Garifuna. Het is een soort rondedans die enkel gedanst wordt door vrouwen. De muziek bij deze dans wordt gekenmerkt door percussie en vraag-en-antwoord-zang. De hüngü-hüngü wordt soms gedanst tijdens rituelen als adugurahani of dügü, waarbij de Garifuna communiceren met hun voorouders.
De dans wordt ook door vrouwen gebruikt om hun gevoelens ten opzichte van bepaalde situaties te uiten en is op die manier ook een vorm van sociale kritiek.
De imzad is een éénsnarige vedel met een halve kalebas als klankkast. De imzadmuziek is bij de Toeareg een essentiële muzikale expressievorm. De deuntjes die gespeeld worden, zijn meestal afkomstig uit een oude traditie. Vaak begeleidt imzadmuziek zang, maar het kan ook zonder zang voorkomen. Het instrument staat op de lijst van beschermd want bedreigd erfgoed.
Van alle kleuren is blauw de moeilijkste en behoeft de meeste zorgen. Er is geen enkele verfstof zo veel en lang onderzocht als indigo, het is ook één van de oudste en de laatste die op de originele manier verwerkt wordt, ook op plaatsen waar al lang synthetische verf wordt gebruikt.
De techniek en het proces om kleurvast indigo geverfd textiel te maken, houdt de kennis in van het maken van de indigo verf, de verfpotten, de cassava-pasta, de metalen stencils. Het volgt de stappen van het beschermmateriaal, afbinden, naaien, verven en afwerken van het textiel.
De indigofera is een plant waarvan ongeveer vijfhonderd varianten bekend zijn en was al een begrip in Egypte rond 1550 voor Chr. Het gebruik van indigofera als kleurstof maakte deel uit van de ritus van o.a. Toetanchamon. Van het verre oosten tot Afrika werd indigo voor diverse ceremonieën gebruikt. Het kweken van de plant in functie van het blauwverven mag nagenoeg als een universeel verschijnsel beschouwd worden.
De duistere machten en krachten aan indigo toegeschreven, hebben allemaal te maken met de bizarre kleurovergang bij de bereiding. Vooraleer indigo zijn karakteristieke blauwe kleur krijgt, doorloopt het kleurtinten van geel over groen om tot het specifieke blauw te komen.
Voor indigo zijn intrede deed in onze gewesten in het begin van de 14e eeuw, gebeurde het blauwverven in onze middeleeuwse steden met wede-plant (Isatis Tinctoria). Veel ververs geloven enkel in natuurlijk indigo en verzetten zich tegen het gebruik van de synthetische kleur.
We vinden de prachtigste indigoweefsels over heel de wereld. In Afrika bij zijn rijke Berbercultuur, in West-Afrikaanse weefsels of in Yemen, Nigeria enz... Maar ook in het verre oosten bij de Miao en Yao in China, Vietnam, Cambodja en Laos. De Japanners zijn altijd al grote liefhebbers geweest van de kleur, op Java en Indonesië wordt indigo aangeplant op de dijkjes tussen de rijstvelden. De batikstoffen in katoen uit Bali en Sumatra zijn alom bekend. De wortels van de enorme verscheidenheid van het prachtige kleurentextiel in Guatemala en Zuid-Mexico komt van de afstammelingen van de oude Maya’s, die ook al indigo gebruikten. Ook de kleur van onze jeans is indigo.
Inshad dini zijn religieuze Islamitische lofliederen die voornamelijk voorkomen bij Soefi-ordes. Het zingen van inshad dini is wijd verspreid in Egypte: men vindt het terug in alle streken en in alle sociaal-economische lagen van de bevolking. De inshad drukt vooral de affectieve dimensie van de islam uit: smeekbedes, verheerlijking van God, lofliederen voor de Profeet...
A-C D-F G-I J-L M-O P-R S-V W-Z