< Januari 2010 >  1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31

Woordenlijst D-F

Da’ak is spirituele muziek voor de Koreaanse theeceremonie. De theeceremonie is een multidisciplinaire kunstvorm bestaande uit muziek, beeldende kunst en dans. In Korea hebben de kunst van het theezetten en muziek een spirituele verhouding.

De instrumenten die tijdens zo'n ceremonie bespeeld worden, zijn de daegum, de danso (kleine bamboefluit), de gayageum (citer met 25 snaren), de yanggeum (citer) en de geomungo (zessnarige citer).

 



De daegum is een grote Koreaanse dwarsfluit, waarvan de oorsprong teruggaat tot de 7de eeuw. Naast het mondstuk heeft het instrument zes gaatjes voor de vingers, een extra gaatje is overdekt met een dun velletje. Het instrument brengt een gezoem voort dat tegelijkertijd ruw en verfijnd is en dat heel eigen is aan de Koreaanse esthetiek.
 

 



De daf is een oude Perzische lijsttrom die nog steeds in landen als Iran en Azerbaidzjan bespeeld wordt, vooral als begeleidingsinstrument. Het bestaat uit een smalle lijst in hardhout en is aan één kant overspannen met een geitenvel. Aan de binnenkant zijn kleine metalen ringen gevestigd. Het lijkt een vrij eenvoudig instrument, maar kan een rijke variatie aan tonen voortbrengen.

 



De dammam is een grote Perzische trom die bespeeld wordt met de hand of met een houten stok. De drum is overtrokken met een geitenvel, dat is vastgemaakt door een koord van dadelpalm dat zevenmaal geknoopt is. 

 

 



Dap is het oude Pahlavi-woord voor daf. Bij de Oejgoeren is deze oude benaming nog in voege.


 

 



De darbuka (darabuka, tarabuka, toumbeleki) is een vaastrommel die in het Midden-Oosten, Noord-Afrika en de Balkan bespeeld wordt. Er bestaan twee modellen: de Egyptische (ook tabla) en de Turkse darbuka. Het lichaam heeft een kelkachtige vorm. De darbuka werd oorspronkelijk uit klei vervaardigd, maar dit wordt tegenwoordig vervangen door metaal (koper, aluminium).   

 


De Iraanse muziek is gebaseerd op twaalf modale structuren, dastgah genaamd. Hierop baseert de zanger geïmproviseerde stukken, die steeds heel persoonlijk en onvoorspelbaar zijn. Elke dastgah bestaat uit zeven basisnoten en heeft een eigen serie van melodieën (gushes). Een gushe bestaat over het algemeen slechts uit vier of vijf tonen. Het dient als een model voor de improvisatie.

 



Dhrupad is een klassieke Noord-Indische zangstijl en is ontstaan in de 15de eeuw als een religieuze stijl. Het is sober en laat geen vocale versiersels toe. Elke dhrupad-zang volgt een welbepaalde volgorde. Eerst wordt de dhrupad ingeleid door de alap in drie delen, die steeds ritmischer wordt. Vervolgens zet de zanger het gezongen gedicht (pada) in, begeleid op percussie.

Het gezongen gedicht gaat steevast over liefde en devotie. Naast percussie worden ook andere begeleidingsinstrumenten als sarangi, tanpura en harmonium gebruikt.
 


De djeli is een griot-muzikant uit de West-Afrikaanse Mandinke-cultuur (Guinee-Conakry, Guinee-Bissau, Gambia, Mali en Senegal). Djeli betekent ‘bloed’ in het Mandinke en wordt gebruikt als prefix bij de naam van de muzikant.

De djeli wordt beschouwd als het geheugen van het volk, die overgedragen wordt van generatie op generatie. Hij symboliseert de wijsheid en de identiteit van een volk. In die zin speelt hij een heel belangrijke rol in zijn gemeenschap. De titel 'djeli' is dan ook voorbehouden aan enkele uitverkorene en wordt van generatie op generatie doorgegeven.
 

 

 De djelimousso is een griotte uit West-Afrika. Ze speelt dezelfde rol als de djeli, al is ze meestal enkel zangeres, terwijl de djeli ook een instrument bespeelt. De djelimousso zingt lofzangen, moraliserende liederen en bezingt de helden van de grote Bamana- en Mandinke-epen. De djelimousso heeft een krachtige stem en een uitzonderlijke présence, waarmee ze het publiek met zich meevoert.

 


 

De djembe is een bekervormige trommel uit West-Afrika. Het wordt traditioneel uit hout gemaakt en overspannen met een geitenvel via een touwbespanning. Tegenwoordig worden ook djembes in fiberglas gemaakt, waarbij het dierenvel bevestigd wordt via spanhaken. De djembe kan zittend of staand bespeeld worden.

 
 

 

Dogaçlama is een opzwepende gypsy-improvisatiestijl uit Turkije.

 
 
 
 
 

 

De Dolan is een bevolkingsgroep uit Centraal-Azië waarover zeer weinig geweten is. Sommige wetenschappers geloven dat ze een etnische subgroep zijn van de Oejgoeren. Ze wonen in een welafgebakend gebied op de grenzen van de Taklamakan-woestijn. Volgens een mythe waren hun voorouders een Mongoolse clan, geëmigreerd naar de Xinjiang.

Dit kan bevestigd worden door de Mongoolse origine van het woord ‘Dolan’. De Dolan zijn landbouwers en schapentelers. Hun sociale systeem is zeer verschillend van het Oejgoerse en hun taal is een dialectvariante van het Oejgoers. Ze maken aanspraak op een specifieke muzikale traditie, de dolan muqâm, die ze heel verschillend vinden van de Oejgoerse muqâm. Traditionalisten verkiezen de term bayawan boven de term muqâm, die ze te geleerd vinden. Bayawan (letterlijk: woestijn) geeft de verbondenheid van deze muziek met de minderheidscultuur en het milieu van de Dolan beter weer.
 

 

De dombra is een tweesnarige langhalsluit uit Centraal-Azië. Het instrument is vooral populair in Kazakhstan, Kirgizië en Oezbekistan. De dombra wordt beschouwd als een symbool van de nationale identiteit van deze drie landen. Het toont gelijkenissen met de Turkmeense dutat en met de Tadjiekse dombura. De Oezbeekse dombra is fretloos, terwijl de Kazakhse dombra wel fretten heeft.

 


 

De doshpulur (ook: doshpuluur) is een twee- of driesnarige langhalsluit uit Tuva. De klankkast kan verschillende vormen aannemen: rond, ovaal, peervormig, rechthoekig of trapeziumvormig. De doshpulur, ook wel eens Tuvaanse banjo genoemd, is uit hout gemaakt en soms overtrokken met een geitenvel. Sommige doshpulurs hebben fretten, anderen niet.

 


 

De dranyen is een langhalsluit met drie dubbele snaren. Het is typisch voor de Himalayaanse volksmuziek en komt voornamelijk in Tibet en Bhutan voor. De dranyen is meestal gemaakt uit één stuk hout. De klankkast is gedeeltelijk overtrokken met een dierenvel en bevat een roset als klankgat. De hals is fretloos. De dranyen is vaak versierd met religieuze symbolen .

 


 

Een snaarinstrument is dubbelkorig wanneer de snaren dubbel uitgevoerd zijn. Naast elke snaar is een snaar met gelijke toonhoogte geplaatst, eventueel met een octaaf verschil. Beide snaren worden bespeeld als één snaar. Bekendste voorbeelden zijn een 12 string-gitaar en een mandoline.
 

 


 

Dügü is rituele Garifuna-muziek en -dans ter ere van voorouders. Dügü-rituelen duren meestal verschillende dagen en bieden de levenden de gelegenheid om in contact te komen met hun overleden voorouders.



 



Dumbek   

Ook: dumbak. Zie darbuka.  



 


De ektar (ekatar, ektara) is een éénsnarige Indiase luit. Ze bestaat uit een kalebas als klankkast, is overtrokken met een dierenvel en heeft een lange hals in bamboehout, waaraan de snaar bevestigd is. De ektar heeft een bourdon-functie en wordt gebruikt als ritmische begeleiding bij zangers.

 

 


Fado is de bekendste Portugese zangstijl en wordt gekenmerkt door melancholische teksten en melodieën. Fado (letterlijk: lot) ontstond rond 1820 in Lissabon en werd gezongen door fadistas, mensen in de marge van de samenleving. Fado vermengt elementen van de oude Portugese tradities, poëzie en ballades met muzikale invloeden uit Brazilië en Afrika.

Een essentieel element van de fado is de saudade, de nostalgie. In de loop der jaren is fado uit de marginaliteit gekomen en is het het Portugese levenslied bij uitstek geworden. Grote namen uit de fado zijn Maria Severa, Amalia Rodriguez en recenter ook Mariza, Cristina Branco, Ana Moura
 



De falak is een populaire zangstijl uit Tadjikistan, gezongen door barden (hafiz). Falak betekent letterlijk firmament of lotsbestemming. Het repertoire bestaat uit melancholische liederen over de broosheid van het leven, over onbeantwoorde liefde en over gescheiden geliefden, gericht tot God en de hemel.

Soms worden falak-liederen gezongen tijdens begrafenisrituelen. In de liefdesliederen wordt ook steeds gesproken over bergen, de hemel, wijn, de nachtegaal en andere poëtische symbolen. De gezangen beginnen meestal in hoge tonen, waarna de toonhoogte gradueel verlaagd wordt. Falak wordt begeleid op dutar (luit), ghijak (vedel) en tar (luit).
 


De fandango is een 18de-eeuwse Spaanse muziek- en dansstijl die ook voorkomt in Portugal. Kenmerkend voor de fandango zijn het snelle ritme en de emotionele zangstijl. In Andalusië is de fandango binnengesijpeld in het flamencorepertoire.
 

 

 



Flamenco verwijst naar een bekende zang-, dans- en gitaarstijl uit het Spaanse Andalusië. Het ontstond in de 19de eeuw bij zigeunerfamilies in Andalusië. De zang is het essentiële element en er bestaan verschillende types: tonas, bulerias, fandangos… Flamenco is modale muziek met invloeden uit de zigeunermuziek en de lokale volksmuziek van Zuid-Spanje.

Met flamenco puro (Sp.: 'traditioneel') wordt de zuivere, traditionele vorm van flamenco bedoeld. De stijl kent verschillende regionale varianten. In Huelva wordt voornamelijk gesproken van fandangos, Cadiz is dan weer vooral beroemd om zijn alegrias. Maar in beide provincies hoor je ook andere soorten flamenco-cantes.   

Flamenco jondo is de zwaardere, diepgaandere variant. Oorspronkelijk was het de cante van een onderdrukt volk. Dat merk je aan de teksten van de siguiriyas, tonas, carceleras en martinetes uit die tijd. Maar de hedendaagse teksten drukken vooral diepe algemeen menselijke (vooral liefdes)frustraties uit.
 
Flamenco chico is dan weer veel lichter, vrolijker en humoristischer van aard, hoewel het onderscheid tussen jondo en chico ondertussen is verouderd. Vroeger werden de buleria en de alegria hiertoe gerekend maar een cantaor kan evengoed zijn diepe gevoelens in een bulería kwijt. Het flamenco-ideaal is de 'duende' (demon of elfje), de plotse opwelling waarbij een staat van emotionele betrokkenheid en een intens groepsgevoel tussen musici, dansers en luisteraars ontstaat. 
 


Forro
is populaire dansmuziek uit de Braziliaanse Nordeste. De accordeon is met zijn uitbundige klanken het belangrijkste instrument en wordt gewoonlijk aangevuld met triangel en percussie en bij moderne versies bas, gitaar en drums. De forro is ontstaan uit een mengeling van Europese elementen (coupletten en refreinen, instrumentale solo’s), Indiaanse zangstijlen en Afrikaanse ritmes.

 



Funana is een traditionele Kaapverdische dans- en muziekstijl op accordeon en percussie. Het is afkomstig van het eiland Santiago, waar het een rituele functie had. Sinds de jaren ’80 kent de moderne funana een groot succes. Deze versie baseert zich op traditionele ritmes, vermengd met elektrische instrumenten en verkent ook andere stijlen, zodat er fusiegenres ontstaan met coladeira en zouk.

 


A-C      D-F      G-I      J-L      M-O      P-R      S-V      W-Z

Eerstvolgende voorstelling
Semara Ratih
Muziek - Indonesië
za 11 september 2010
Eerstvolgende voorstellingen
11/9 Semara Ratih
12/9 Open Monumentendag 2010
16/9 Huldetentoonstelling Fernande Kuypers
17/9 Afrik (In)dépendance
17/9 Huldetentoonstelling Fernande Kuypers
17/9 Opening Afrik (In)dépendance